Bridge

Bridge is een kaartspel dat ook onder de noemer denksport geplaatst kan worden. In duplicaatbridge is bewust gestreefd naar het zoveel mogelijk uitschakelen van de factor ‘geluk’ als uitkomstbepalend. Het spel vereist concentratie, geheugen en logisch denken en goede samenwerking tussen partners. Bridgen bestaat uit twee delen, het bieden en het spelen.

Het spel wordt gespeeld met 52 kaarten. Zij worden een voor een gedeeld, te beginnen bij de speler links van de gever, met de klok mee tot iedere speler 13 kaarten bezit.

Het wordt gespeeld door vier personen. Aan iedere speler wordt een windrichting W,N,O, of Z toegekend. NZ spelen samen en vormen een partnership, en ze spelen tegen OW, die ook samenspelen en een partnership zijn. Het partnership kan ad hoc zijn, alleen voor deze wedstrijd, maar over het algemeen hebben bridgers vaste partners, die in het algemeen jaren (soms vele tientallen jaren) samen spelen. De spelers zien elkaars kaarten niet. Een goed bridgepaar begrijpt elkaar en vertrouwt elkaar, zodat ze effectief kunnen bieden en tot een ‘contract’ komen. Na het bieden wordt gespeeld, waarbij ieder paar zo veel mogelijk slagen probeert te maken.

 

Het bieden

Het spel draait om het totaal aantal slagen (niet punten, zoals bij klaverjassen) dat een spelerspaar verzamelt. Het spel begint met een biedronde waarin iedere speler om beurten ofwel mag passen, ofwel een bieding doen. Met een bod geeft een speler aan hoe zijn ‘hand’ eruit ziet, en hoeveel slagen hij denkt te halen.

De foto hiernaast toont links een bak met biedkaartjes. Men wil vermijden dat een speler door een bepaalde intonatie ongeoorloofde informatie aan zijn partner geeft, en daarom doet men de biedingen liever zwijgend, door kaartjes op tafel te leggen. Dat heeft het extra voordeel dat men tijdens de bieding aan de neergelegde kaartjes kan nagaan hoe het biedverloop is geweest. Het is overigens heel goed mogelijk zonder biedkaartjes te spelen, voor een informele bridgeavond heeft men genoeg aan de gewone speelkaarten. De foto toont rechts de 13 speelkaarten die de speler bij de deling heeft ontvangen. Deze worden, in tegenstelling tot de foto, tijdens de bieding niet open op tafel gelegd.

Biedt een speler een contract, dan doet hij dat door een aantal (maximaal 7) en een speelsoort te noemen. De speelsoort is een troefkleur, maar kan ookSans Atout (zonder troef) zijn.
Daarna is het de beurt van de volgende speler om te bieden. Wil hij een contract bieden dat moet hij hoger bieden, dat wil zeggen hetzelfde aantal met een hogere speelsoort, of een hoger aantal met een willekeurige speelsoort.

De volgorde van de speelsoorten is reglementair vastgelegd en is, van laag naar hoog:

  • klaveren (K) ♣
  • ruiten (R) ♦
  • harten (H) ♥
  • schoppen (S) ♠
  • sans (SA/NT) (zonder troef, Sans Atout SA, no trumps NT)

Het laagste bod is dus ‘1 klaveren’. Letterlijk genomen betekent dat dat de speler samen met zijn partner belooft tenminste 7 slagen (dit is net iets meer dan de helft van het maximaal mogelijk aantal slagen) te zullen maken, wanneer klaveren troef gemaakt wordt.
Het bod blijft echter zelden op ‘1 klaveren’ steken maar wordt meestal opgevolgd door een hoger bod, hetzij van de tegenpartij, hetzij van de partner (of allebei). Het bieden kan een aantal keren de tafel rond gaan. Een speler die in eerste instantie gepast heeft, mag zich naderhand alsnog in de bieding mengen.
Een speler kan zijn beurt om te bieden voorbij laten gaan door ‘pas’ te zeggen.
In plaats van ‘pas’ of een contract, kan er ook gedoubleerd worden. De traditionele betekenis van ‘doublet’ is “ik denk dat de tegenstanders datgene wat zij geboden hebben, niet kunnen halen, en ik wil dat de puntentelling verzwaard wordt”.
Als er gedoubleerd wordt, kan er geredoubleerd worden. Dit betekent “Wij halen wel wat wij geboden hebben, hoewel de tegenpartij denkt van niet, en ik maak de puntentelling nóg zwaarder.”.
Doubleren mag alleen als het laatste geboden contract een contract is van de tegenpartij dat nog niet gedoubleerd is. Redoubleren mag alleen als het laatste geboden contract een contract is van de eigen partij dat (door de tegenpartij) gedoubleerd is.
Het bieden is afgelopen als er drie spelers achter elkaar passen. Het hoogste bod wordt het contract van het spel. Het paar dat dit contract heeft gesloten (de ‘leider’ en de ‘blinde’) zal proberen zes slagen te maken plus het genoemde aantal. Is er ‘4 schoppen’ geboden, dan moeten er, met schoppen als troef, dus tien slagen worden gemaakt. De tegenstanders (‘verdedigers’) zullen proberen te voorkomen dat dat lukt.
Wordt het contract gemaakt, dan ontvangen de leider en de blinde punten voor het geboden contract, en ook nog voor de overslagen, dat zijn de slagen die boven het contract zijn gemaakt. Voor overslagen wordt echter in het algemeen minder gescoord dan wanneer er hoger geboden zou zijn.
Wordt het contract niet gemaakt, men zegt dan dat het contract down gaat, dan krijgen de verdedigers punten voor iedere downslag.
Is het contract gedoubleerd of geredoubleerd, dan worden er meer punten genoteerd, maar niet precies twee of vier keer zo veel.

 

Biedconventies

Het is belangrijk dat een speler met zijn partner communiceert om duidelijk te maken wat hij wil en welke kaarten hij heeft. Het is echter niet geoorloofd te praten, te knipogen of op andere wijze informatie door te geven. Daarom maken de spelers, voordat de kaarten verdeeld worden, afspraken dat een bepaald bod of het bijspelen van een bepaalde kaart een boodschap inhoudt. Deze afspraken heten conventies, en het geheel van afspraken heet een biedsysteem.

Doet een speler een bod, dan is dat haast altijd een mededeling aan de partner. Opent een speler met 1 H, dan betekent dat meestal “Ik denk dat we wel 1 H kunnen spelen.” Het betekent ook “Partner, ik heb wel aardige kaarten, mijn beste kleur is harten en ik denk dat we wel 1 H kunnen spelen. Kijk eens wat jij hebt en wat jij ervan vindt.”

Conventies mogen niet geheim zijn. Spelers maken hun biedsysteem aan hun tegenstanders bekend door hun systeemkaart te overhandigen. Daarnaast moeten de meeste conventionele biedingen worden gealerteerd en desgevraagd worden uitgelegd door de partner van de speler die het conventionele bod heeft gedaan.

Voorbeelden van bekende biedconventies:

Stayman
Een bekende conventie is Stayman. Deze luidt: “Als jij 1 SA hebt geopend en ik bied 2 K, dan betekent dat dat ik wil weten of jij vierkaarten hebt in harten of schoppen. Jij moet 2 R zeggen als je ze niet hebt, 2 SA als je beide vierkaarten hebt, en de kleur noemen als je een van beide vierkaarten hebt.”

Blackwood
Ziet het ernaar uit dat er voldoende slagen zijn voor slam, dan is het belangrijk dat de tegenpartij niet eerst 2 slagen opraapt voordat jij er 12 hebt. Azen zijn daarom belangrijk. Met de Blackwood-conventie kun je dat opvragen: “Als ik 4 SA bied, dan wil ik weten hoeveel azen jij hebt. Je moet 5 K antwoorden als je geen azen hebt, 5 R met één aas, 5 H met twee azen en 5 S met drie azen.” (Soms wordt een heer in de troefkleur ook meegeteld, een renonce als aas tellen is gevaarlijk) De speler die 4 SA bood zal, als hij het antwoord heeft gehoord, meestal wel het eindcontract kunnen vaststellen. Het belang van azen vragen wordt door beginnende spelers vaak overschat. Er zijn nog wel andere methodes waarmee je de kans op slam kunt onderzoeken.

Roman Keycard Blackwood
Een variant van Blackwoord is Roman Keycard Blackwood. Hier gaat men uit van 5 keycards: 4 azen en troefheer. Het antwoordenschema na het 4SA azenvragen kent 2 schema’s: 1403 of 0314. 1403 houdt in dat 5K 1 of 4 keycards betreft en 5R 0 of 3 keycards. 0314 houdt in dat 5K 0 of 3 keycards betreft en 5R 1 of 4 keycards. Met de opvolgende kaart op het antwoord kan naar de troefvrouw gevraagd worden.

 

Het spelen

Bridge is een slagenspel; een slag is een ronde waarbij iedere speler een kaart speelt. Spelers moeten kleur bekennen, dat wil zeggen dat een bijgespeelde kaart van dezelfde kleur moet zijn als de eerste kaart van de slag, dat is de gevraagde kleur. Alleen als een speler de gevraagde kleur niet heeft, mag hij een willekeurige kaart bijspelen. Er mag dus alleen getroefd worden als de gevraagde kleur niet (meer) voorhanden is, maar troeven is niet verplicht. Heeft een speler de gevraagde kleur niet, dan heeft hij helemaal vrije keus. Een slag wordt gewonnen door de hoogste troefkaart, en als er geen troef in de slag is gespeeld door de hoogste kaart van de gevraagde kleur. De volgorde der kaarten is van hoog naar laag: A H V B 10 9 8 7 6 5 4 3 2. Deze volgorde geldt ook voor de troefkleur.

Nadat een slag is gemaakt, legt de speler die de slag won de eerste kaart van de volgende slag op tafel.

In het bieden is het contract vastgesteld. De speler van het paar die als eerste de speelsoort van het contract geboden heeft (klaveren, ruiten, harten, schoppen of Zonder Troef), wordt leider in het spel (in het Engels ‘declarer’, niet ‘leader’). Zijn linkertegenstander (‘leader’) mag het spelen beginnen met de eerste kaart, de uitkomst. Vervolgens legt de partner van de leider zijn kaarten open op tafel, hij wordt dummy of blinde. De leider speelt zowel de kaarten uit zijn eigen hand als de kaarten van de dummy. De dummy is gedurende het spelen dus niet actief bij het spel betrokken, maar hij mag de kaarten hanteren en ingrijpen als er een overtreding wordt begaan.

Tijdens het spelen is het bij bridge gebruikelijk, in tegenstelling tot andere slagenspellen, dat elke speler zijn eigen kaarten bij zich houdt. Als de slag geheel gespeeld is, pakt iedere speler zijn eigen kaart op en legt hij deze dicht voor zich neer. Afhankelijk van wie de slag heeft gewonnen, wordt de kaart horizontaal of verticaal neergelegd, zodat men aan het eind van het spel aan de hand van het aantal horizontale en verticale kaarten bekeken worden hoeveel slagen elke partij gehaald heeft. Doordat de spelers hun kaarten bij zich houden, kan men achteraf nog precies zien hoe de kaarten verdeeld waren (wat het nakaarten makkelijk maakt) en bovendien is het bij wedstrijden mogelijk dat er aan een andere tafel wordt gespeeld met dezelfde kaartverdeling.

Als de leider, samen met zijn partner, het aantal slagen heeft dat nodig is voor het behalen van zijn contract, heeft de leider het contract gehaald. De slagen die hij eventueel meer haalt, heten overslagen. Als de leider minder slagen haalt dan er geboden zijn, gaat hij down. Als de leider zijn contract haalt, krijgt zijn partij daar punten voor, als hij down gaat, krijgt de tegenpartij punten.

 

Speelconventies

Net als in het bieden, kunnen voor het tegenspelen afspraken worden gemaakt. Signaleren is toegestaan, mits het signaal wordt afgegeven door een bepaalde kaart te spelen. Speelconventies gelden alleen tussen de verdedigers, want de leider heeft er geen behoefte aan gegevens met zijn partner uit te wisselen. Net als bij het bieden zijn de afspraken die men maakt openbaar. De leider mag dus vragen wat de tegenspelers voor afspraken hebben, en hierop dient naar waarheid geantwoord te worden.

Natuurlijk kan een speler niet altijd de kaart spelen die hij zou willen. Hij moet de kaart wel hebben, en bovendien moet hij hem kunnen missen. Nu valt er in de praktijk in iedere slag wel een honneur, zodat de lagere kaarten tamelijk waardeloos zijn. Er wordt zelden een slag gemaakt met een 9, en dus is de 9 nauwelijks meer waard dan een 2. Een speler kan dus signaleren door een hoge kaart (bijvoorbeeld 7, 8 of 9) te spelen of een lage kaart (2, 3 of 4). Wordt er een 5 of 6 gespeeld, dan zal de partner moeten bedenken of dat een lage of hoge kaart is. Zijn de 2, 3, 4 en 5 al gespeeld, of liggen ze in de dummy, dan is de 6 een lage kaart.

Opeenvolgende kaarten zijn volkomen gelijkwaardig. Is de 10 al gespeeld, dan maakt het voor het eindresultaat niet uit of hij de vrouw, boer of negen speelt. Hij kan ze dus goed gebruiken om te signaleren. Komt een speler met een kaart uit, dan betekent dat vaak dat hij de naasthogere kaart niet heeft.

Lavinthal
Een voorbeeld van een speelconventie is Lavinthal. Bijvoorbeeld: Schoppen is troef. West is aan slag en weet dat zijn partner geen harten meer heeft (uit de bieding en de reeds gespeelde kaarten). Bovendien heeft West ruitenaas. West kan zijn partner dus een introever bezorgen door harten te spelen. Komt Oost daarna met ruiten uit, dan wint West en kan hij zijn partner nóg een introever bezorgen. De leider is machteloos doordat hij (als de kaarten een beetje regelmatig verdeeld zijn) steeds kleur moet bekennen. Maar hoe weet Oost nu dat hij ruiten moet terugspelen?

West signaleert dit door bij de eerste slag met een vrij hoge harten uit te komen, bijvoorbeeld een 8 of 9. De boodschap is: “Ik weet dat je geen harten hebt, hier heb je een introever. Je komt daarna natuurlijk niet met troef uit (dat is zelden gunstig), dus je hebt de keus tussen ruiten en klaveren. Ik reken erop dat je de hoogste van die twee neemt, dus ruiten.”

 

Spelregels

De spelregels van het bridge zijn op wereldniveau vastgesteld en gelden in principe over de hele wereld. Er zijn overkoepelende organisaties (WBF=World Bridge Federation, NBB=Nederlandse Bridge Bond) die de regels van het spel bewaken en handhaven. Officiële wedstrijden worden geleid door een arbiter die volgens een boekje waarin de regels opgeschreven staan, handelt wanneer onregelmatigheden geconstateerd worden. Er zijn vaste procedures voor wat er moet gebeuren als iemand verzaakt, een kaart voor iedereen zichtbaar laat vallen enz. Ook zijn er “ethische” regels, ten aanzien van het informatie verstrekken anders dan door biedingen te doen en kaarten te spelen (het al genoemde woord en gebaar).

 

Wedstrijdvormen

Bridge wordt op verschillende manieren gespeeld. De oorspronkelijke vorm (robberbridge) wordt gespeeld door vier personen, die voor ieder nieuw spel de kaarten wassen (schudden). Bij bridgeclubs is dat vrijwel geheel verdrongen door paren-bridge waar spellen kaarten van tevoren geschud en gedeeld worden en in kaarthouders geplaatst worden. Er is dan een roulatiesysteem waarbij een aantal paren dezelfde spellen spelen. De puntentelling is anders in dat geval, omdat er gekeken wordt naar wie de hoogste score uit een bepaald spel gehaald heeft. Het toevalselement wordt op die manier minder belangrijk, de kunst is om het met dezelfde kaarten beter te doen dan andere spelers.

De gebruikelijke tellingen bij wedstrijdbridge zijn de volgende:

  • parentelling: Hierbij worden de uitslagen op een lijst gezet, en vervolgens levert de laagste uitslag in een bepaalde richting op een bepaald spel 0 punten op, de eennalaagste 2 punten etcetera. Deze score wordt meestal omgerekend naar een percentage, waarbij 0 punten 0% en de hoogste score (een ‘top’) 100% wordt.
  • viertallentelling: Hierbij speelt men met een vast nevenpaar, die hetzelfde spel speelt, maar in de andere richting (dus als een paar NZ speelt, speelt het nevenpaar OW). De scores die beide paren op een spel halen, worden vergeleken, en het verschil wordt omgezet naar een score, volgens een bepaalde lijst.
  • butlertelling: Dit is net zoals viertallentelling, maar wordt met paren gespeeld. Als nevenpaar geldt het gemiddelde van de scores in de andere lijn (meer correct, maar moeilijker uit te rekenen, is het hier de eigen tegenstanders niet mee te tellen)

Voor sterkere spelers maakt het uit of ze een parenwedstrijd of een viertallenwedstrijd spelen. In een parenwedstrijd zijn alle spellen van gelijk belang, en kan elk puntje belangrijk zijn, in een viertallenwedstrijd zijn het vooral de ‘grote’ spellen die de score bepalen. In viertallen zal men (vanwege de relatief hoge manchepremie) sneller de manche bieden, ook als die niet helemaal 50% kans heeft. Wat betreft het af- en tegenspel zal men in viertallen ‘op safe spelen’, het belangrijkste hier is het contract te halen of down te spelen. Een leider zal de grootste kans op maken nemen, ook als deze minder overslagen oplevert als het goed gaat, of meer downslagen als het fout gaat. Bij paren kan daarentegen elke slag de beslissende zijn.

 

Puntentelling

Eerst een begrip:

fit je hebt een fit in een kleur als je als partnership (dus in allebei de handen) 8 of meer kaarten van deze kleur bezit. Als vuistregel speelt troef prima als je er 8 of meer hebt, anders wordt dit hachelijk. In het bieden zoek je naar fits. Als je een fit vindt, ga je in troef spelen, in de kleur waarin je er 8 of meer hebt. Als er geen fit is, speel je zonder troef. Althans, dat zou je doen als er geen aspect in de puntentelling zat die de tactiek wat ingewikkelder maakt. Lees maar verder.

De puntentelling van contract bridge bestaat sinds 1925 en is sindsdien op hoofdlijnen niet veranderd. De puntentelling bepaalt de wedstrijdtactiek en het biedsysteem, vanwege een paar essentiële elementen:

de puntentelling Afhankelijk van de speelsoort wordt er een bepaald aantal punten toegekend per slag (waarbij pas te beginnen met de 7e slag punten toegekend worden). Bij klaveren en ruiten (de ‘lage kleuren’) is dit 20 punten. Bij harten en schoppen (de ‘hoge kleuren’) is dit 30 punten. Bij Sans Atout is de eerste slag 40 punten waard en elke opvolgende slag 30.

de deelscorepremie De deelscorepremie wordt toegekend als een partnership een zgn. deelscorecontract biedt en maakt. De premie bedraagt 50 punten. Een deelscorecontract is elk contract dat lager dan een manche is (zie onder).

de manchepremie Als een partnership een contract maakt waarvoor ze (zonder deelscorepremie) minimaal 100 punten krijgen, krijgen ze in plaats van de deelscorepremie een manchepremie toegekend. Deze bedraagt 300 of 500 punten, afhankelijk van de zgn. kwetsbaarheid (zie onder). In SA is voor de manche een contract op driehoogte nodig (3SA: 40+30+30=100 punten), waarvoor dus 9 slagen behaald moeten worden. In een hoge kleur is een contract op vierhoogte nodig (4×30=120 punten) en in een lage kleur een contract op vijfhoogte (5×20=100 punten).

NB: De manchepremie wordt alleen toegekend als een contract op de benodigde hoogte geboden is. Als een partnership 3S biedt en 10 slagen haalt, wordt deze premie dus niet toegekend.

de slempremie Als een contract op 6-hoogte (‘klein slem’) of 7-hoogte (‘groot slem’) wordt geboden en gemaakt, wordt er een slempremie toegekend. Ook deze zijn hoger als een partnership kwetsbaar is (zie onder).

downslagen Downslagen zijn slagen die een partnership te weinig haalt. Als bijvoorbeeld in een 4S-contract slechts 8 slagen behaald worden, is dit partnership 2 down. Downslagen kosten normaal gesproken 50 punten als de leider niet kwetsbaar is en 100 punten als de leider wel kwetsbaar is (voor kwetsbaarheid zie onder). Als het contract ge(re)doubleerd is kosten downslagen meer.

overslagen Overslagen zijn slagen die een partnership meer haalt dan zij heeft geboden. Als bijvoorbeeld in een 3S-contract 10 slagen behaald worden, heeft het partnership een overslag en is de score ‘3S +1’. Elke overslag levert de voor de speelsoort gebruikelijke punten op. Als het contract ge(re)doubleerd is echter meer.

kwetsbaarheid Een partnership is kwetsbaar of niet kwetsbaar (er zijn dus vier mogelijkheden: niemand kwetsbaar, NZ kwetsbaar, OW kwetsbaar of allen kwetsbaar). Als men kwetsbaar is zijn manche- en slempremies hoger, maar kosten downslagen ook meer. In een bepaalde variant, het robberbridge, wordt men kwetsbaar zodra eenmaal een manche gehaald is. Deze variant wordt echter nauwelijks meer gespeeld, en in moderne wedstrijdvormen is de kwetsbaarheid per spel aangegeven.

doubleren en redoubleren Een contract dat door de tegenpartij geboden is kan gedoubleerd worden. Resultaat hiervan is dat de punten voor behaalde slagen verdubbeld worden. Ook downslagen leveren globaal het dubbele op. Eventuele overslagen zijn veel meer waard dan gebruikelijk. Manchepremies worden aan een gemaakt ge(re)doubleerd contract toegekend als het aantal geboden slagen na de verdubbeling (of verviervoudiging) minstens 100 bedraagt. Een gedoubleerd gemaakt 2H-contract levert dus een manchepremie op, aangezien er nu 60 punten per slag (totaal 120) worden toegekend in plaats van 30. De manchepremie wordt niet hoger dan normaal.

plus- en minpunten Wat de ene partij plus scoort, krijgt de andere partij in de min, en vice versa.

 

Biedsystemen

Biedsystemen zijn er op gericht om a) uit te vinden in welke kleur men moet spelen (heb je een “fit” ergens?) en b) of men een manche in handen heeft of niet. Als een manche gemaakt kan worden, loont het om hem te bieden; als dit niet het geval is, is het handig zo laag mogelijk af te stoppen. Bij een fit in harten of schoppen, speelt men meestal de manche in deze kleur, echter, bij een fit in klaver en ruiten is het vaak beter om dan zonder troef te spelen, want dan hoef je maar 9 slagen te bieden en halen (3SA) in plaats van 11 (5K en 5R).

Moderne biedsystemen voorzien ook in methodes om met zwakke handen (weinig hoge kaarten, maar wel speelkracht in bepaalde kleuren) aan het bieden mee te doen, om het de tegenpartij (met veel hoge kaarten in handen) lastig te maken. De hoop is dat ze dan niet in het juiste contract terechtkomen, of dat de eigen partij een goed redbod vindt.

In Nederland is het meest gebruikelijke systeem ACOL en diverse daarvan afgeleide systemen. Net als het Amerikaanse Standard American is het een zogenaamd natuurlijk systeem, wat wil zeggen dat de belangrijkste biedingen (in het bijzonder openingen van 1 in een kleur) biedingen zijn die enige sterkte en lengte in de geboden kleur aangeven. Een andere belangrijke groep systemen zijn de sterke klaver-systemen, waarvan Precisie de belangrijkste is. Hierbij geeft een opening van 1 klaver een willekeurige sterke hand aan, ongeacht de lengte van de klaveren. De andere 1-openingen zijn daardoor zowel naar boven als naar beneden in sterkte begrensd.

Hiernaast zijn er nog specifieke biedconventies, waarbij een bepaald bod een specifieke, meestal niet-natuurlijke, betekenis heeft. De bekendste conventies zijn Stayman, Blackwood en Jacoby transfers.

In Nederland is Biedermeier in opkomst, een op ACOL gebaseerd biedsysteem, dat door de Nederlandse Bridge Bond wordt ondersteund. Biedermeier is in drie moeilijkheidsgraden beschikbaar: Groen voor de beginnende bridger, Blauw voor de meer ervaren clubbridger en Rood voor de gevorderde competitiespelers.

 

Woordenlijst

  • bijbod: het eerste bod van de partner van degene die het openingsbod deed.
  • blinde of dummy: de partner van de leider. Hij legt al zijn kaarten open op tafel en de leider wijst aan wat hij moet spelen.
  • boekje: de eerste zes slagen. ze worden bij de bieding en de puntentelling niet meegeteld.
  • claimen: niet verder spelen omdat het verdere spelverloop duidelijk is. Een speler, meestal de leider, legt zijn kaarten op tafel en zegt bijvoorbeeld: “Ik mis nog een ruitenslag en de rest is voor mij.” Meestal zegt hij er ook bij hoe hij verder denkt te spelen.
  • contract: het aantal slagen en de speelsoort, gedoubleerd of niet, zoals dat tijdens de bieding is vastgesteld.
  • down: minder slagen dan volgens het contract nodig is, zodat het contract verloren is.
  • dekken: een hogere kaart bijspelen.
  • duiken: een lagere kaart bijspelen dan reeds op tafel ligt, zodat men de slag niet maakt.
  • forcing: een bod dat uitsluitend een mededeling aan de partner inhoudt en dat niet geboden wordt om te spelen. Partner moet dus iets antwoorden, want als hij past (en de tegenstanders passen ook), dan wordt het forcingbod het eindcontract.
  • ingooien, ingegooid: een speler is ingegooid als hij tegen zijn zin een slag heeft gewonnen en moet uitkomen voor de volgende slag, maar alles waarmee hij uitkomt is ongunstig.
  • kwetsbaar: voordat de kaarten gegeven worden, wordt vastgesteld welke teams kwetsbaar zijn (geen van beide, allebei of een van beide). De puntentelling telt voor het kwetsbare team zwaarder.
  • leider: de speler die, samen met zijn partner (blinde), het contract moet maken.
  • openingsbod: het eerste bod dat geen pas is.
  • opstappen: een hogere kaart bijspelen dan reeds op tafel ligt, zodat men de volgende speler dwingt nóg hoger te spelen (of de slag te verliezen).
  • overslag: slag die meer wordt gemaakt dan geboden is. Hiervoor krijgt men punten, maar in de regel niet zo veel als wanneer men hoger geboden had.
  • preëmptief bod: een tamelijk hoog bod dat wordt gedaan om de tegenpartij het bieden onmogelijk te maken. Men neemt daarbij het risico down te gaan, maar dat is waarschijnlijk minder erg dan het mooie contract dat de tegenpartij kan spelen.
  • redbod: een bod dat hoger is dan het hoge en veelbelovende contract dat de tegenpartij heeft gedaan. Men gaat liever down in een gedoubleerd redbod dan dat men de tegenpartij een hoog contract laat spelen.
  • slam of slem: twaalf (klein slam) of dertien (groot slam) slagen.
  • snijden, snit of finesse: een lagere kaart bijspelen (bijvoorbeeld de vrouw en niet het aas), in de hoop dat de tussengelegen kaart (de heer) er niet achter zit.
  • steunen: de kleur bieden die de partner geboden heeft.
  • volgbod: een bod nadat de tegenpartij geopend heeft.
  • vork: twee net niet opeenvolgende kaarten, bijvoorbeeld A en V. Door te snijden heeft men een kans dat beide kaarten een slag winnen.